donateurs

Geschreven op Monday, 28 December 2009 om 6:05 pm door Thomas.Scheurs

Om die reden hebben veel sectoren, maar ook individuele instellingen en organisaties allerlei kwaliteitsgaranties voor donateurs ontwikkeld. Zo zijn er, om een paar voorbeelden te noemen, het onderwijsconvenant voor de scholen, de reclamecode, de gedragscode van het ISF, de NGF gedragscode voor de individuele fondsenwervers, de code cultuursponsoring, de code sportsponsoring en nog veel andere. In dit verband moet ook het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) genoemd worden. Dit bureau geeft het CCBF Keurmerk’ af en de ‘Verklaring van geen Bezwaar’. Het CBF toetst de fondsenwervende instellingen op aspecten als wervingskosten ( de zogeheten 25%regel), de jaarverslaglegging, de besteding van de geworven gelden, etc. Niet getoetst worden de bovengenoemde, meer ethische, aspecten. Dat kan ook moeilijk. Er is de laatste jaren veel kritiek op het CBF Keurmerk. Dat zou te veel een marketinginstrument geworden zijn van de grotere landelijke goede doelen. Een niet geheel onbegrijpelijke kritiek overigens. Het Keurmerk is namelijk in nauwe samenwerking met de VFI, de belangenbehartiger van de grote landelijke fondsen, ontwikkeld en gepresenteerd. En door de hoge kosten en de bureaucratie die ermee gepaard gaan, is het Keurmerk in de praktijk ook alleen voor de grote goede doelen haalbaar en bereikbaar. Er is weliswaar als alternatief een zogeheten ‘CBF Verklaring van geen bezwaar’ ontwikkeld, maar dat wordt door de lokale doelen toch als een onacceptabele surrogaatoplossing ervaren. Probleem is wel dat door de publiciteitscampagne rondom het Keurmerk bij het publiek de indruk is ontstaan dat een goed doel zonder Keurmerk niet betrouwbaar is. Voor de kleine en lokale doelen nadelig. Daarom pleiten de kleinere doelen al jaren voor een meer op hun situatie toegeschreven methodiek. Er zou, zo bepleiten zij bij monde van hun brancheorganisatie ISF, een systeem moeten komen dat ook voor de kleine en lokale doelen het verkrijgen van het CBF Keurmerk mogelijk maakt.

Allerlei incidenten, breed uitgemeten in de media, hebben het vertrouwen van het publiek in de goede doelen een flinke deuk bezorgd. Dat vertrouwen is niet meer vanzelfsprekend. Daarvoor zouden verschillende sets van criteria ontwikkeld moeten worden. Aan een groot landelijk fonds als het KWF of de Hartstichting mogen immers andere eisen gesteld worden dan aan een lokale thuis zorgorganisatie. Maar als die thuiszorgorganisatie aan de eisen voldoet dan moet ook zij het CBF Keurmerk kunnen verwerven. Er moeten meerdere wegen (= sets specifieke criteria) komen die uiteindelijk allemaal naar Rome ( = het CBF Keurmerk) leiden. Het zal nog wel enige tijd duren voor het zover is. En tot dat moment zal het publiek geconfronteerd blijven met het ondoordringbare bos van gedragscodes, verklaringen, keurmerken, kwaliteitsgaranties en wat dies meer zij. Het is spijtig te moeten constateren dat de filantropische sector kennelijk niet in staat is om het publiek één en voor alle goede doelen, groot of klein, lokaal of landelijk wervend, algemeen geldend kwaliteitskeurmerk te bieden. Een zwaktebod. Zoals eerder gezegd zijn professionaliteit en creativiteit de succesfactoren van het fondsenwerven. Een factor die echter ook van belang is, is de flexibiliteit, het inlevingsvermogen van de fondsenwerver. Is de fondsenwerver in staat om zich te verplaatsen in de donateur cq sponsor, in staat om ‘in diens huid te kruipen’ en dus niet te denken vanuit de eigen positie en vanuit het eigen belang, maar te kijken met de ogen van de gever? Dat is niet iedereen gegeven.

Reacties zijn gesloten.